maandag 23 november 2009

De ene ‘overdoper’ is de andere niet (2)

Ik wil graag nog wat verder doordenken en schrijven over wat ik genoemd heb ‘de ene overdoper is de andere niet’. Misschien sprak ik in m’n eerste blog over dit onderwerp ook wel te veel in raadselen. Met de titel heb ik geprobeerd aan te geven, dat de ene overdoper niet gelijk behoeft te zijn aan de andere. Laten we eerst eens wat verschillende dopen op een rijtje zetten:
1. kinderdoop;
2. geloofsdoop (in plaats van kinderdoop);
3. eerst kinderdoop + later geloofsdoop (met diskwalificatie van kinderdoop);
4. eerst kinderdoop + later doop (waarde kinderdoop niet ter discussie).

De situatie bij 3 is een andere dan bij 4. Bij situatie 3 zet iemand een streep door z’n kinderdoop en wil de betrokkene deze via een geloofsdoop als het ware overdoen. Bij situatie 4 blijft de betrokkene staan achter de kinderdoop en wil met de tweede doop een (hernieuwde) keuze maken voor de Heer. Ondanks dat beide situaties m.i. heel verschillend zijn worden deze broers en zussen veelal op één hoop geveegd en allemaal ‘overdopers’ genoemd. Bij situatie 3 zal het gesprek uitkomen op de verschillen tussen kinderdoop en geloofsdoop. Bij situatie 4 staat de kinderdoop niet ter discussie en is dus ook geen onderwerp van gesprek. Daar kan het gesprek alleen gaan over de tweede doop.

Situatie 4 is de context van hoofdstuk 21 uit het boekje van Adrian Verbree ‘Over dopen’. Verbree schets een fictief verhaal waarin sprake is van zo’n tweede doop. Hij schrijft: “Maar … nu het kiezen voor Christus zo nadrukkelijk hun leven is gaan bepalen, willen ze die keus ook graag zelf onderstrepen door nogmaals de doop te ontvangen.” Verbree zegt daarvan: “Het is iets fijns wanneer mensen, wanneer dan ook in hun leven, (weer) een bewuste keuze voor Christus willen maken.” Dus met het motief van de tweede doop kan Verbree instemmen. Ook geeft de uitwerking in hoofdstuk 21 aan, dat Verbree anders met situatie 3 omgaat dan met situatie 4. Hij maakt nadrukkelijk een onderscheid tussen 3 en 4 en veegt dus niet heel deze groep bij elkaar en plak daar het etiket 'overdoper' op.

Er blijven m.i. dan nog twee zaken over waar over doorgesproken moet worden: de vorm van deze tweede doop en de locatie (eigen gemeente of niet). Wat de vorm betreft geeft Verbree (en anderen) aan geen voorstander te zijn van het toepassen van hetzelfde teken als bij de kinderdoop. Daar heeft hij m.i. goede argumenten voor. Het noemt de mogelijkheid een alternatief symbool te ontwikkelen. Een betekenis van de kinderdoop is, dat je opgenomen bent als (geadopteerd) kind in Gods huisgezin. Dat huisgezin kent gezinsleden van over de hele wereld en vanuit allerlei kerken, maar wordt vooral geconcretiseerd, werkelijkheid in je eigen gemeente. Het ligt dan ook zeker voor de hand om je bewuste keuze voor Christus, de bevestiging van je plaats in Gods huisgezin tot uitdrukking te brengen in je eigen gemeente (locatie). Dat betekent wel, dat die eigen gemeente zo’n ritueel, zo’n tweede doop (zonder de vorm van de doop) moet willen toestaan.

woensdag 18 november 2009

Christus lijden en mijn lijden

De lezing van Matteüs 26 : 36 – 46 deed mij ook denken aan de lezing ‘Verder met het Evangelie van Jezus Christus’ van Wolter Rose. In die lezing zegt hij o.a. dat wij samen met Christus kinderen van God zijn. Hij is de natuurlijke Zoon van God, wij aangenomen (geadopteerde) zonen en dochters. En samen met Christus zijn wij erfgenamen. Rose schrijft dan (n.a.v. Romeinen 8) dat wij zullen delen in de glorie én in het lijden van Christus. “Die glorie — dat zien we wel zitten. Maar dat lijden — moet dat nu echt?”

“Jezus maakt er geen geheim van. Wat voor de Messias, de Christus, geldt, geldt ook voor een christen: het lijden hoort er bij. Net als Jezus mogen wij — zegt Paulus — ook Abba, Vader, tegen God zeggen. Wij horen bij de familie. Samen met Christus. Het lijden hoort onlosmakelijk bij Christus zijn, en zo hoort het lijden nu ook onlosmakelijk bij christen zijn. Het lijden blijft lijden, maar het krijgt een nieuwe dimensie. Het blijft een worsteling. Ook al kun je de vraag, “Waarom?”, niet beantwoorden, één ding weet je als erfgenaam van God, samen met Christus, wel: het lijden dat mij overkomt is op de een of andere manier niet zinloos. En het lijden heeft niet het laatste woord. Wij zijn erfgenamen, samen met Christus: we delen in zijn lijden, om ook te delen in zijn glorie.”

Mijn grootste hartenwens is, dat ik ben en steeds meer word als Jezus. Jezus moest lijden in de hof van Getsemane (Matteüs 26 : 36 – 46) en ook ik en anderen kennen moeiten en lijden. Moet dat nu echt? “Petrus zei: de Messias lijden? Geen denken aan.” In het genoemde Bijbelgedeelte lezen we dat Jezus zelf ook met die vraag geworsteld heeft: moet dat nu echt? Ook ik denk: ik wil het niet, ik ga de moeiten en het lijden uit de weg (voor zover dat mogelijk is). Jezus’ worsteling is mijn worsteling. Bij Jezus verscheen een engel uit de hemel om hem kracht te geven. Bij mij is er de Geest van Jezus die mij wil en zal helpen. God dank.

zondag 15 november 2009

Jezus en ik

Iets wat mij uit ‘In alle redelijkheid’ van Tim Keller regelmatig te binnen schiet is wat hij zegt in hoofdstuk 12. “(…) ik veranderde pas toen ik besefte dat ikzelf in Jezus’ verhaal voorkwam (en hij in het mijne). (…) het evangelie is niet zomaar een ontroerend stuk fictie over iemand anders. Het is een waar verhaal over ons. Wij komen erin voor.

Ik moest er aan denken bij het lezen van Matteüs 26 : 36 – 46 [1]. Daar bidt Jezus, vlak voor zijn gevangenneming, zijn Vader om de beker van hem weg te nemen. Hij was toen “dodelijk bedroefd” en stond “doodsangst” uit. Ook stond hij er alleen voor: zijn discipelen vielen bij herhaling in slaap ondanks de oproep van Jezus om te bidden. Wat triest en verdrietig! Wat een lijden!

Toen dacht ik aan wat Keller schrijft over Jezus' lijden en kruisdood. Het is niet een verdrietig en ontroerend stuk fictie, maar Jezus doorstond die doodsangsten vanwege mij! Ik had doodsangsten moeten uitstaan en een kruisdood moeten sterven, maar Hij deed het. Voor mij (en vele anderen). Jezus' lijden komt zo heel dicht bij. Raakt mij. Ik kan niet op een afstandje naar deze (bekende) geschiedenis kijken, nee ik kom voor in dit verhaal. Het gaat hier over mij. Hij onderging dit voor mij. Is het niet een groot, volstrekt uniek en kostbaar wonder?

[1] Deze geschiedenis is ook beschreven in Marcus 14 : 32 – 42 en Lucas 22 : 39 – 46.

zaterdag 7 november 2009

De ene ‘overdoper’ is de andere niet (1)

Ik ben de afgelopen periode intensief bezig geweest met ‘de doop’ en dan vooral de ‘overdoop’. Niet omdat ik dat een boeiend onderwerp vind (daarmee zeg ik dus niet, dat het geen belangrijk onderwerp is), maar omdat een broer in de gemeente zich liet overdopen. In verband daarmee las ik o.a. het boek ‘Over dopen’ van Adrian Verbree.

Verbree zegt in genoemd boek allerlei wetenswaardige zaken. In hoofdstuk 21 gaat hij specifiek in op het onderwerp ‘De doop op herhaling?’. Hij schrijft daarin o.a. het volgende: “Het is iets fijns wanneer mensen, wanneer dan ook in hun leven, (weer) een bewuste keus voor Christus willen maken. En de wens dat op een of andere manier symbolisch te laten uitkomen, is ook te respecteren. Er is niets mis met iemand die op dit punt een kind van zijn tijd is en waarde hecht aan symboliek. Het zou daarom fijn zijn wanneer deze kwestie niet verzandt in een ‘mag wel, mag niet’ rond een tweede doop. Is het niet mogelijk alternatieve symbolen te ontwikkelen? Dan wordt het gevaar van een onbedoeld vertroebelen van een door God geclaimd teken (AG: de doop) bezworen.

Helaas verzandt zo’n kwestie in de praktijk wel heel snel in een ‘mag wel, mag niet’ rond een tweede doop. Soms heb ik daarbij het gevoel (dat gevoel kan dus niet juist zijn) dat mensen zo’n broer liever de gemeente zien verlaten, dan hem vast te houden. Dat mensen nooit nagedacht hebben over een driewegen pastoraat laat staan dit model toepassen. Dat mensen niet openstaan voor verschillen tussen de ene ‘overdoper’ en de andere. Dat we het in de kerk gemakkelijker vinden om een ander (i.c. de ‘overdoper’) aan te spreken op zijn verantwoordelijkheden dan je als kerklid en als kerkenraad bewust te zijn van het onvoldoende handen en voeten geven van je eigen verantwoordelijkheden op dit gebied. Ds. Marten de Vries schreef het al in 2006 in het ND: moeite met de kinderdoop vraagt onderwijs. Zijn wij daarin niet tekortgeschoten?

8 nov. 2009: Ik moet nog iets toevoegen aan deze blog. Verbree schrijft in hoofdstuk 21 over mensen die de waarde van de kinderdoop niet ontkennen en die ook niet van zins zijn de kerk te verlaten.

zondag 1 november 2009

Identiteit en gedrag

Ik wil graag nog even stilstaan bij het interview met Selma Noort: ‘Met alle tanden bloot’. In het interview wordt haar de vraag gesteld: “Laat het geloof u los?” Zij antwoord dan: “Nou, de moraal niet. Wat goed en kwaad is, de naastenliefde, dat zit in mij verankerd. Het is zelfs een beetje moralistisch, (…).

Wat triest dat iemand haar identiteit in Christus verloren heeft, maar er nog wel christelijk gedrag op nahoudt. Het is de wereld op z’n kop. Christelijk gedrag, de moraal, een besef van goed en kwaad, dat is wat er van haar geloof is overgebleven. Werd de God als vriend, als Vader (uit de gelijkenis van de verloren zoon) ingewisseld voor een God die gehoorzaamheid wilde (zoals bij de oudste zoon uit deze gelijkenis)? Werd het haar hardhandig bijgebracht, zoals het interview suggereert?

Keller schrijft daarover in zijn boek ‘De vrijgevige God’. Hij zegt daarin o.a. dit: “Velen hebben de denkvorm van het moreel conformisme beproefd, raakten erdoor vermorzeld, en maakten toen een dramatische stap naar een leven van zelfontdekking. (Volgens Keller staat de oudste zoon voor de weg van het moreel conformisme en de jongste voor de weg van de zelfontdekking. Beiden hebben geen vriend, geen Vader nodig.) Is Selma vermorzelt door de denkvorm van het moreel conformisme en bracht dat haar tot een leven van zelfontdekking? Een leven zonder een (hemelse) Vader die haar vriend wil zijn?

woensdag 28 oktober 2009

Vriendschap en identiteit (2)

In mijn vorige blog schreef ik dat als ik zou moeten kiezen tussen de identiteit van een zondaar en die van een vriend van God, ik zou kiezen voor die van een vriend van God. Wim reageert op deze blog (zie zijn reactie onderaan de blog) en noemt dit het kiezen tussen twee karikaturen. Maar zijn dit wel twee karikaturen? Een karikatuur is een overdreven voorstelling van een zaak of persoon. De door mij geschetste voorstelling komt toch naar voren in het interview met Selma Noort? Selma heeft als tienjarig meisje een beeld van zichzelf als vriend van God. Bij het horen van de woorden ‘gij zijt allen zondaars’ wordt ze heel kwaad. Waarom? Ik denk omdat ze haar identiteit, haar zelfbeeld in duigen ziet vallen. Ze heeft denk ik het gevoel dat ze haar identiteit als vriend van God moet inwisselen voor die als zondaar.

Het gaat mij in mijn vorige blog niet om de verhouding tussen zonden en genade. Het gaat mij om de verhouding tussen identiteit en gedrag. Dat was vooral ook aan de orde in de lezing van Arie de Rover tijdens het mannenweekend. Ik ben het helemaal eens met de stelling dat ons gedrag zondig is en tot de jongste dag zal blijven. Maar hoe zit het met onze identiteit? Is onze identiteit die van een zondaar of wordt onze identiteit ten diepste bepaald door wie wij zijn in Christus? Ben ik een zondaar (identiteit) of een aangenomen kind van God (identiteit) die zondigt (gedrag)? Die vraag meen ik te lezen in het interview met Selma Noort.

Ik denk dat die vraag belangrijker is, dan wij ons vaak realiseren. Arie hield ons voor dat er een relatie bestaat tussen identiteit en gedrag. Je identiteit werkt door in je gedrag (en niet andersom). Als iemand (bewust of onbewust) de identiteit van een zondaar ‘aanneemt’ zal dat dus zijn gedrag beïnvloeden. De zondaar (identiteit) zal eerder geneigd zijn zondig gedrag laten zien dan iemand die begrijpt wat het is om kind, vriend van God te zijn. Iemand die als Jezus is (op Jezus lijkt), zal ook (met vallen en opstaan) het gedrag van Jezus vertonen. Dat kan niet anders.

Wim zegt een tegenstelling te lezen in mijn blogs tussen zonde en genade. Maar leest hij het als een tegenstelling of maak ik er ook echt een tegenstelling van? Het gaat mij er om, dat er juist zorgvuldig omgesprongen wordt met begrippen als zonde en genade. Daarom spreekt het onderscheid goedkope en kostbare genade mij zo aan. Daarom ben ik soms beducht op een teveel benadrukken van de zonde. Daarom denk ik ook dat we een onderscheid moeten maken tussen identiteit en gedrag. Op Jezus gaan lijken is toch niet allereerst iets dat betrekking heeft op gedrag, maar op je identiteit (die vervolgens weer doorwerkt op je gedrag)? Daarmee wordt genade niet goedkoop. Kind van God zijn is alleen mogelijk door genade. Door de oneindig hoge prijs die Jezus voor mij betaald heeft.

maandag 26 oktober 2009

Vriendschap en identiteit (1)

Ik las afgelopen weekend in de ZoZ-bijlage van het ND een interview met Selma Noort: ‘Met alle tanden bloot’. In het interview las ik dit: “Ik weet nog dat de dominee van de kansel riep ‘gij zijt allen zondaars!’. Ik werd zo kwaad. Ik was een jaar of tien en God was mijn grote, glimlachende vriend in de hemel. Hij was nou juist degene die niet zei ‘jij bent lang en stom’. Nee, voor mij had Hij de bloemen gemaakt, het gras en de bomen. Allemaal voor mij. Hij was mijn vriend.

Ik vind het een mooie illustratie bij mijn vorige blog ‘God als je vriend’. Heeft de dominee vertelt in zijn preek dat zonde staat in de context van Gods vriendschap met Selma? Zonde werd en wordt zovaak als een losstaande ‘grootheid’ gepresenteerd, met alle risico’s van dien. Selma is nu bijna vijftig jaar oud en ze heeft haar vriendschap met God verloren.

Ik denk ook dat het een mooie illustratie is bij het mannenweekend van afgelopen vrijdag en zaterdag. Vrijdagavond hield Arie de Rover een lezing over ‘christelijke identiteit’. Selma dacht als tienjarig kind aan God als haar vriend. God was haar vriend en zij mocht Zijn vriend zijn. God was een vriend die haar accepteerde en respecteerde zoals ze was. Dat was haar identiteit in haar ogen. De dominee daarentegen bracht haar iets anders bij: je bent een zondaar. Jouw identiteit is de identiteit van een zondaar. Als ik zou moeten kiezen tussen het geloof van de dominee of dat van (de tienjarige) Selma, dan wist ik wel wat ik zou kiezen. Wie zou niet willen geloven als een kind?

Arjan Gelderblom © 2008 Template by Dicas Blogger.

TOPO